Livealbums als redmiddel in tijden van concert- en festivaldroogte

299

Na bijna een jaar aan afgelaste shows en uitgestorven zalen snakken we allemaal naar dampige, volgepropte concertzalen of uitpuilende festivalvelden. Hoewel de Stip Aan De Horizon (wijdverspreide vaccinatie) inmiddels steeds dichterbij begint te komen zal dit echter nog wel even daarbij blijven: een stip aan de horizon. Om toch een beetje dat livemuziek gevoel te krijgen denk ik dat live albums—althans, degene die niet klinken alsof ze met een koekblik zijn opgenomen—het met behulp van wat verbeeldingsvermogen in zich hebben om iets van die beleving na te bootsen. Het lijkt vaak of livealbum op voorhand al aan de kant worden geschoven want ‘waarom zou je niet naar de betere geluidskwaliteit van het studioalbum luisteren.’ Maar misschien dat dit het moment is om mensen over de streep te trekken. Hieronder dus een paar aanraders; zie het als zoethoudertjes, pleisters om de pijn te verzachten tot betere tijden weer daar zijn, of simpelweg als tips voor een paar ijzersterke platen.

Warren Zevon – Stand In The Fire

De cover van Warren Zevon’s Stand in the Fire geeft al gelijk een passende indruk van wat je op het album gaat horen. De adrenaline die door de tracklist raast sijpelt door naar de wazige, chaotische, in rode gloed badende Zevon die door z’n knieën gezakt en met een intense blik op z’n smoel laat zien dat de zaal van hem is. Hoewel hij naar verluid rond deze tijd van de alcohol afwas, kun je de pijnstillers en steroïden haast proeven. Wat dit live album zo goed maakt is dat Zevon, iemand die meer bekend staat om zijn singles dan om de consistentie en coherentie van zijn albums, zijn beste tracks bij elkaar heeft gebracht. Hoewel de eerste twee nummers misschien wat langzaam op gang komen, raakt het album vanaf Excitable Boy tot en met het einde (van de oorspronkelijke uitgave althans, dus tot en met Bo Diddley) in een wervelwind van snoeiharde knallers terecht. Ondanks dat de nummers hier afkomstig zijn uit vijf verschillende performances klinkt het alsnog als één overdonderend geheel.

Hier vind je Zevon op het toppunt van zijn rockster-zijn; performance, productie en setlist komen samen om je het gevoel te geven dat je zelf vooraan bij het podium staat. Doordat de backing band zo strak op elkaar is ingespeeld heeft Warren Zevon zelf alle ruimte hier en daar af te wijken en te improviseren, harder uit te halen en waar hij het nodig vindt de lyrics aan te passen. Wat mij betreft is deze rauwe live setting waar hij ondanks (of misschien juist doordat) hij niet altijd even zuiver klinkt, nog beter dan op zijn studio albums tot zijn recht komt. Op de eerdergenoemde Excitable Boy laat hij alle teugels vieren en bereikt hij ongekende hoogtes; op Poor, Poor Pitiful Me schreeuwt hij het uit en laat de band het einde van het nummer naadloos overgaan in het nummer wat in vorm en inhoud het beste de energie van deze plaat weet te vatten: I’ll Sleep When I’m Dead. Dit is pure, onbedwingbare energie. Waarom slapen als je ook Stand in the Fire op vol volume kan draaien?

Lou Reed – Rock ‘n’ Roll Animal

Lou Reed is een artiest waarvan je nooit precies weet wat hij gaat doen. Zijn doorbraak Transformer werd gevolgd door het uiterst conceptuele Berlin, welke gigantisch flopte. En denk natuurlijk aan albums als Metal Machine Music, waarover nog steeds discussies rondgaan of het nou een grap was of niet, en Lulu, het album dat hij samen met Metallica maakte. Beide worden tot op de dag van vandaag door velen als onluisterbaar bestempeld. ‘Waar haalt ‘ie het vandaan, en wat is er toch gebeurd met die ooit zo invloedrijke, en later ook succesvolle zanger van The Velvet Underground?’ zullen mensen gedacht hebben toen de hierbovengenoemde albums uitkwamen. Op Rock ’n’ Roll Animal zal een vergelijkbare reactie geweest zijn; niet door de kwaliteit van de plaat, maar doordat Lou Reed hier nummers van (met name) het succesvolle Velvet Underground album Loaded in een compleet andere stijl giet. Steve Hunter en Dick Wagner, o.a. bekend doordat ze in Alice Cooper’s band gespeeld hebben, helpen Lou Reed hier door behulp van geweldige solo’s glam rock net wat minder kitscherig te maken.

Het eerste nummer, Sweet Jane, begint al gelijk met een solo van 3 minuten voordat je hoort dat je naar het bekende Velvet Underground nummer zit te luisteren. Vervolgens wordt Heroin, het origineel voor sommigen toch net iets te neerslachtig, omgetoverd tot een nummer dat je tot in je diepste poriën voelt rondrazen. Hierin zit verscholen wat Rock ’n’ Roll Animal als live album zo fantastisch maakt: de vrijheid die genomen wordt door de band om deze nummers op compleet andere wijze te presenteren met behulp van overdonderende jamsessies die je normaal bij Velvet Underground noch Lou Reed gevonden zou hebben. Op Lady Day, het enige nummer afkomstig van Berlin, doet Lou Reed iets gewaagds, maar geniaals. Waar het origineel wat ingetogen is en Lou Reed z’n sympathie bij het personage waar hij over zingt legt door de manier waarop de tekst gebracht wordt, lijkt die sympathie op de liveversie in rook opgegaan. De inhoudelijke waarde van het origineel, van groot belang op het conceptalbum, maakt hier plaats voor de stilistische bravoure van Reed en zijn band door de uitbundige en overdonderende manier waarop het nummer gebracht wordt. Fijnzinnige dichter Lou Reed maakt hier plaats voor het rock & roll beest dat altijd in hem aanwezig is. Door muziekblad Rolling Stone is de Lou Reed van dit album zelfs spectaculair en majestueus genoemd. Ondanks de afwijkende stijl vind je wat mij betreft Lou Reed hier toch op z’n meest Lou Reeds: grandioos, gewaagd, en onvoorspelbaar.

Radiohead – I Might Be Wrong

Als laatste album in dit stuk wil ik I Might Be Wrong van Radiohead aanraden. Nadat Radiohead voor Kid A en Amnesiac al hun gebruikelijke instrumenten het raam uit hadden gegooid kon je je vragen hoe een rockband de nummers van deze albums in godsnaam naar een livesetting zou vertalen. Nou, het antwoord vind je hier, en het liegt er niet om. De kille, afstandelijke en vervreemdende klanken die zo kenmerkend zijn voor Kid A en Amnesiac komen hier op rauwere en levendigere wijze helemaal tot leven, en worden op een wat menselijkere manier gepresenteerd die goed past bij een livesetting. Het eerste nummer, The National Anthem, begint al gelijk met een overdonderende baslijn die gedurende het nummer de vaste lijn in het nummer zal vormen waaromheen de rest erop los improviseert. De staccato ademgeluiden en het gekke gebrabbel van Thom Yorke geven de normaal koude track iets levendigs en speels.

De gelaagde opbouw van de studio albums, waarvoor in de studio aan veel knoppen gedraaid en met effecten gespeeld is om het tot stand te laten komen, maakt het dat Radiohead hier moet roeien met de livesetting-riemen die ze hebben. Op nummers als Morning Bell en Like Spinning Plates worden de technische tekortkomingen opgevangen of omzeild door extra nadruk te leggen op Yorke’s stem, waar vooral Spinning Plates in vergelijking met het origineel een gedaanteverwisseling ondergaan is. Je hoort de zaal haast aan zijn lippen hangen. Alle nummers die ze spelen zijn (misschien op Dollars and Cents na) minstens net zo goed, en soms misschien zelfs nog net een tik beter dan de studio-opnames. Met dit laatste doel ik eigenlijk vooral op Idioteque en Everything in Its Right Place waarbij je op de achtergrond het publiek helemaal los hoort gaan, en vooral op Idioteque de band op karakteristieke wijze in overdrive schiet. Op Everything in Its Right Place laat de band nog eens horen dat ze live ook niet schuw zijn van experimentele vocale manipulaties en wat improvisatie hier en daar. Het album eindigt onverwachts met het warm akoestische True Love Waits, welke pas vijftien jaar later op plaat zou verschijnen, en misschien dat dit blasfemisch is, maar wat mij betreft is het nummer hier live nog beter dan op plaat.